De Nederlandse militaire dienstplicht zoals die was in 1939/1940 (beknopt overzicht)

Dienstplichtigen bij appel

Foto: Dienstplichtigen bij appel, bron: Nederland Paraat

Inleiding


In 1939/1940 luidde art. 181 van de Grondwet: "Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied". Inmiddels is dit artikel en daarmee deze grondwettelijke verplichting voor de burgers komen te vervallen.

Op 4 februari 1922 was de "Dienstplichtwet" ingevoerd die de gang van zaken rondom de militaire dienstplicht regelde. Het aantal dienstplichtigen voor de lichting werd jaarlijks bij Koninklijk Besluit vastgesteld. De verdeling van het aantal over de provincies werd door de Minister bepaald, waarna de Commissaris in de Provincie het aandeel van elke gemeente vaststelde.

Inschrijving


Elke mannelijke Nederlander, die op 1 januari van het jaar dat hij 19 jaar oud werd in Europa woonde of wiens wettige vertegenwoordiger op dat tijdstip in Europa woonde, moest zich op het gemeentehuis laten inschrijven voor de dienstplicht; dit werd opgenomen in de registers.

Loting


Niet alle mannelijke burgers werden in "werkelijke dienst" opgeroepen. Een loting bepaalde per gemeente welke ingeschrevenen daadwerkelijk werden opgeroepen/ ingeloot. Alle ingeschrevenen deden mee aan de loting, tenzij de ingeschrevene op de dag vóór de loting ''voorgoed ongeschikt'' of ''uitgesloten" was. Vrijgestelden, zie onder, loten wel mee. Degene die werd ingeloot noemde men "Gewoon Dienstplichtig" ( G.D.), de vijgelotenen waren "buitengewoon dienstplichtig". Die laatsten konden in oorlogstijd alsnog worden opgeroepen (zie onder).
De mededeling dat de jongen was ingeloot; als gewoon dienstplichtige was aangewezen, ontving hij van de Burgemeester door een persoonlijke oproeping om bij de keuringsraad te verschijnen. Tevens werd dit openbaar bekend gemaakt en ingeschreven bij de gemeente waar hij was ingeschreven. Op het oproepingsformulier stond o.a. vermeld in welke gevallen men niet bij de keuring behoefde te verschijnen.

Keuring


De regionale keuringsraden hielden elk jaar vanaf 16 maart zittingen waarbij de opgeroepen mannen dienden te verschijnen. Men kon éénmaal "tijdelijk ongeschikt" worden verklaard (b.v. als men tussen 150 en 155 cm groot was). Men was dan verplicht zich het volgend jaar nogmaals te doen keuren. Bij de keuring kon men (opnieuw) aangeven bij welk wapen men ingelijfd wilde worden. Er was in Nederland een herkeuringsraad die voor 1 juli de eerste zitting had. Bij niet verschijnen op de herkeuring werd men "voor geschikt gehouden".

Dienstweigering


Omdat de verplichting tot militairen dienst door velen als onzedelijk of onrechtmatig werd gezien, deels omdat zij dat onnodig, nutteloos , en zelfs gevaarlijk vonden, zouden zij de dienstplicht wel geheel afgeschaft willen zien. Was men ingeloot dan kon men de dienst weigeren.
Dienstweigering kon op twee gronden:
A. Bezwaar maken tegen militairen dienst "bepaaldelijk gericht op strijd met de wapenen"
B. Bezwaar maken tegen militairen dienst "van welken aard ook"

In een speciale commissie onderzocht men elk verzoekschrift, vervolgens nam de Minister van Oorlog (Marine) een besluit. Honoreerde de Minister het verzoek, dan werden degenen die op grond A weigerden voor 8 maanden plus de duur van de diensttijd ingedeeld bij een onderdeel dat die niet ingericht op de strijd met de wapenen. Iemand van groep B. werd voor 12 maanden plus de duur van de diensttijd ingedeeld bij een andere tak in Staatsdienst.

Kaderplicht


Iedere jongere, die meer dan Lagere School had werd aangewezen voor de opleiding tot onderofficier. Ieder die einddiploma H.B.S. (vergelijkbaar met Havo/VWO), iets soortgelijks of meer had, werd aangewezen voor de opleiding tot officier. Die aanwijzing geschiedde reeds vóór de inlijving (een maand of drie nadat men "ingeloot" was) en wel gegrond op gegevens verkregen door de geneeskundige keuring en het genoten onderwijs van de dienstplichtige.
De dienstplichtig onderofficieren werden opgeleid bij de kaderschool en waren verbonden aan het regiment/depot waar de gewone dienstplichtigen ook hun opleiding volgden.
De dienstplichtig officieren werden de reserve-officieren genoemd. Zij volgden de opleiding aan de school van het wapen of dienstvak waaraan zij waren verbonden.

Duur van de diensttijd


a. 5½ maand voor de onberedenen; infanterie algemeen normaal gesproken;
b. 8 maanden voor de zeemacht;
b. 9 maanden voor aspirant-onderofficieren;
c. 12 maanden voor aspirant officieren;
d. 12 maanden voor de ziekenverplegers;
e. 12 maanden voor de luchtvaartdienst;
f. 12 maanden voor de beredenen der artillerie;
g. 15 maanden voor de cavalerie.

Vrijstellingen


Vrijstellingen diende de dienstplichtige zelf aan te vragen. De aanvraag kon ingediend worden bij de Burgemeester van de gemeente waar de dienstplichtige was ingeschreven. Van de aanvraag ontving de aanvrager een schriftelijk bewijs. Elk jaar in de eerste helft van mei ontving de dienstplichtige een waarschuwing van de Burgemeester dat hij een aanvraag voor een vrijstelling kon indienen en hoe hij dat moet doen. Vrijstellingen konden ook gedurende de werkelijke dienst ontstaan. Dan diende de aanvraag te zijn gedaan binnen 14 dagen nadat het mogelijk was de aanvraag te doen.
Er waren enige vrijstellingen:

A. Broederdienst,
B. Kostwinnerschap,
C. Persoonlijke Onmisbaarheid,
D. Geestelijke,
E. Verdrag,
F. Bijzonder Geval.

ad. A. Broederdienst
Van ieder gezin behoefde maar één jongen te dienen, de rest kwam in aanmerking voor de vrijstelling broederdienst. De wettig broer of halfbroer moest wel minstens 5 ½ maand hebben gediend, of een militair pensioen genieten dan wel in werkelijk dienst zijn overleden. De aanvraag moest gedaan worden tussen 16 en 31 mei. Ontstond het recht daarvoor te laat, dan moest de aanvraag binnen 14 dagen na het ontstaan zijn gedaan. De aanvraag moest geschieden met twee meerderjarige getuigen, die op de hoogte waren van de samenstelling van het gezin. Gedeputeerde Staten verleenden "Broederdienst".

ad. B. Kostwinnerschap
Deze vrijstelling werd verleend, indien anders "voldoende middelen tot levensonderhoud ontbreken" aan : echtgenoote, bloed- en aanverwanten in rechte linie, andere idem in tweede graad, pleegouders, bij vonnis te onderhouden personen. Deze vrijstelling werd als het maar enigszins mogelijk was verleend. Aanvankelijk werd dat één of meermalen "voor bepaalden duur'' gedaan, na vier jaren in totaal "voorgoed". De aanvraag diende mondeling op gemeentehuis omstreeks drie maanden vóór het tijdstip van inlijving te geschieden. Kon dit niet, dan binnen 14 dagen nadat het mogelijk was om de aanvraag te doen.

ad. C. Persoonlijke Onmisbaarheid
Indien de aanwezigheid van de dienstplichtige "noodzakelijk was voor de instandhouding van de middelen van bestaan" voor echtgenoote, bloed- en aanverwanten in rechte linie, andere idem in tweede graad, pleegouders, bij vonnis te onderhouden personen, b.v. fabriek of winkel waar de dienstplichtige onvervangbaar is. De vereisten voor de kostwinnerschap-vrijstelling zijn eveneens van toepassing.

ad. D. Geestelijke
Bekleeding van (of in opleiding voor) een Geestelijk of Godsdienstig-Menschlievend Ambt. De in aanmerking komende functies waren bij de gemeente op tabellen verkrijgbaar.

ad. E. Verdrag
Deze vrijstelling werd verleend aan ingezetenen, niet Nederlanders die bleken te behoren tot een Staat, waarmede in dezen een verdrag is gesloten: België, Bulgarije, Columbia, Denemarken, Duitschland, Italië, Japan, Liberia, Mexico, Noorwegen, Oostenrijk, Perzië en Zwitserland.
Eveneens waren vrijgesteld de hier wonende onderdanen van Staten, waar de Nederlanders ook geen dienstplicht behoeven te vervullen, t.w.: Amerika (V.S.), Argentinië, Australië, Brazilië, Britsch Indië, Canada, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot Brittannië en Ierland, Hongarije, Letland, Lithauen, Luxemburg, Polen, Portugal, Roemenië, Yoego Slavië, Spanje, Tsjecho Slowakije, ZuidAfrikaansche Unie en Zweden.

ad. F. Bijzonder Geval
Dit betrof de rest-categorie. Wat als een bijzonder geval werd aangemerkt, stond ter beoordeeling van de Minister. Zij die in Indië de eerste oefening geheel vervuld hadden, kregen daarvan op verzoek in Nederland vrijstelling.

Opkomst


In het algemeen kwam de gewone dienstplichtige in het jaar dat hij 20 werd op voor zijn "eerste oefening". De eerste oefening was doorgaans een globale militaire opleiding op basis van het handboek soldaat en de toepasselijke voorschriften. Na beëindiging van de "eerste oefening" werd de dienstplichtige met "groot verlof" gezonden. (Populair werd dit "afzwaaien" genoemd.) Trouwens ook als men uitstel van opkomst verkreeg bleef men behoren tot de lichting van het jaar dat verkregen werd door 20 op te tellen bij het geboortejaar. Plaats dag en uur waarop de dienstplichtige moest verschijnen, ontving hij van de Burgemeester; zo spoedig mogelijk, dan tenminste 10 dagen vóór het tijdstip van opkomst.
Aan het einde van de "eerste oefening" werd de dienstplichtige met "groot verlof" gezonden. (Populair werd dit "afzwaaien" genoemd.)
Vervolgens diende de gevechtsbekwaamheid op peil te worden gehouden door herhalingsoefeningen. Elk jaar werd aangekondigd welke lichtingen in aanmerking kwamen. Doorgaans was dit binnen zes jaren nadat men voor het eerst met groot verlof ging. De herhalingsoefening duurde doorgaans enkele dagen en aan het einde daarvan ging de soldaat weer met groot verlof.

Buitengewone opkomst


In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden konden ook de buitengewone dienstplichtigen onder de wapenen worden geroepen. Dat gebeurde ook in 1940.

Ontslag


Ontslag kreeg de dienstplichtige:
a. Beneden de rang van onderofficier: Op 1 oktober van het jaar waarin bij 40 jaar oud werd.
b. Onderofficieren: idem 45 jaar.
C. Officieren· idem 50 jaar.

De "buitengewoon dienstplichtigen" (zie boven) ontvingen eveneens allen ontslag op 1 oktober van het jaar, waarin zij 40 jaar oud werden. Ieder ontving een schriftelijk bewijs van ontslag. Na het ontslag kon de persoon niet meer opgeroepen worden voor militaire dienst.