Rangen en standen in de Nederlandse Landmacht 1939/1940


Algemeen


Het stelsel van rangen en standen van 1939/1940 gold in de basis vanaf 1866. In 1912 werd de breedte van de chevrons voor de onderofficieren aangepast (van 20 mm naar 10 mm voor de enkele chevron). In 1916 werd het zilver en goud in de sterren en plaatjes (knoppen) vervangen door mat witmetaal en mat brons. Korporaals en onderofficieren (met uitzondering van de AOO) droegen de chevrons als rangonderscheidingstekens onderop de mouw van gevechtsjas en de overjas gestikt tegen de gestikte zoom aan die op de ondermouw zat. De enige uitzondering was gereserveerd voor de mantel (zonder mouwen dus). Op de mantel droegen de chevrondragers de rangonderscheidingstekens op de kraag in de vorm van een lis per galon van de chevrons. De officieren (en AOO) droegen de rangonderscheidingstekens op de kraag.

In de tabel links staan de onderdelen vermeld waarbij de chevrondragers gele dan wel goudkleurige chevrons droegen. In de tabel rechts staan de onderdelen vermeld waarbij de chevrondragers witte dan wel zilverkleurige chevrons droegen. De achtergrond in de tabel geeft de wapenkleur voor het onderdeel/ dienstvak aan, blauw, rood, groen, geel of karmozijnrood; politietroepen geen.

Manschappen


"Soldaat"
Soldaten worden onderscheiden in standen. De titel 'soldaat 2e klas' of 'soldaat 1e klas' geeft de 'stand' van een militair weer. De soldaat 1e klas bestond anno mei 1940 niet meer, dus soldaten werden doorgaans de gewone dienstplichtige "G.D." genoemd.
De soldaat had geen enkel rangonderscheidingsteken op de mouw of kraag omdat deze geen stand of rang had uit te dragen.

"Korporaal"
De korporaal had de eerste, laagste rang. Hij droeg een chevron van geel kemelsgaren of wit katoen, het galon 20 mm breed op de veldjas en de overjas.
Op de mantel werd de galon op de kraag aangebracht als een lis van dezelfde stoffen als hiervoor genoemd. Een korporaal in vrijwillige dienst (capitulant of beroeps), kon op de kraag van het veldtenue een radicaal (knop) van geel of wit metaal dragen, wat betekende dat hij in aanmerking kwam voor de eerstvolgende rang.

De korporaal-fourier had een chevron met galon op zowel de onder als de bovenmouw.

Onderofficieren


"Sergeant / wachtmeester"
De sergeant (of wachtmeester) droeg een chevron van goud- of zilverkleur, het galon 10 mm breed op de veldjas en de overjas.
Op de mantel werd de galon op de kraag aangebracht als een lis van dezelfde stoffen als hiervoor genoemd. Een sergeant in vrijwillige dienst (capitulant of beroeps), kon op de kraag van het veldtenue een radicaal (knop) van geel of wit metaal dragen, wat betekende dat hij in aanmerking kwam voor de eerstvolgende rang.

De sergeant-fourier had een chevron met galon op zowel de onder- als de bovenmouw.



"Sergeant 1e klasse/ wachtmeester 1e klasse"
De sergeant (of wachtmeester) der 1e klasse droeg een chevron van goud- of zilverkleur, het galon 10 mm breed op de veldjas en de overjas. Naast (boven) de chevron was een tres van 2,5 mm breed aangebracht met een krul aan de bovenzijde.
Op de mantel werd de galon met tres op de kraag aangebracht als een lis van dezelfde stoffen als hiervoor genoemd.

Een sergeant der 1e klasse in vrijwillige dienst (capitulant of beroeps), kon op de kraag van het veldtenue een radicaal (knop) van geel of wit metaal dragen, wat betekende dat hij in aanmerking kwam voor de eerstvolgende rang.





"Sergeant-majoor/ Opperwachtmeester"
De sergeant-majoor (opperwachtmeester) had een chevron van goud- of zilverkleur gelijk aan twee galons van de sergeant naast elkaar geplaatst. De beide galons waren elk 10 mm breed.
Op de mantel werden de galons op de kraag aangebracht als een lis van dezelfde stoffen als hiervoor genoemd.

Een sergeant-majoor in vrijwillige dienst (beroeps), kon op de kraag van het veldtenue een radicaal (knop) van geel of wit metaal dragen, wat betekende dat hij in aanmerking kwam voor de eerstvolgende rang.






"Adjudant onderofficier / vaandrig / kornet"
De adjudant onderofficier [AOO] en de aspirant officier vaandrig of kornet had een gebold rond metaalkleurig knop of stip op de kraag van de veldjas en de overjas.
Op de mantel twee lissen naast elkaar zoals de sergeant-majoor, maar met in het midden een metalen gebolde knop / stip.

De adjudant-onderofficier was altijd een beroepsmilitair. Het was geen rang dat reserve personeel kon bereiken.

De kornet was een aspirant officier bij de artillerie of cavalerie, de vaandrig was een aspirant officier bij de overige onderdelen.

Subalterne officieren

"Luitenant 2e klasse"
De tweede luitenant (of 2e luitenant) droeg een goud- of zilverkleurige ster op de kraag (beide zijden).

Op de overkleding; overjas en mantel was de ster geborduurd zilver of goudkleurig.





"Luitenant 1e klasse"
De tweede luitenant (of 2e luitenant) droeg twee goud- of zilverkleurige sterren op de kraag (beide zijden).

Op de overkleding; overjas en mantel waren de sterren geborduurd zilver of goudkleurig.








"Kapitein / Ritmeester"
De kapitein (ritmeester bij de Huzaren) had drie goud- of zilverkleurige sterren op de kraag (beide zijden) die in een driehoekspatroon waren geplaatst.

Op de overjas en mantel waren deze sterren geborduurd zilver of goudkleurig, eveneens in een driehoekspatroon.






Hoofdofficieren

"Majoor"
De majoor had een goud- of zilverkleurige ster, waarachter een zilver- of goudkleurige balk.

Op de overjas en mantel een geborduurde zilver- of goudkleurige ster waarboven een zilver- of goudkleurige streep.






"Luitenant-kolonel"
De luitenant-kolonel (overste) had twee goud- of zilverkleurige sterren, waarachter een zilver- of goudkleurige balk.

Op de overjas en mantel twee geborduurde zilver- of goudkleurige sterren waarboven een zilver- of goudkleurige streep







"Kolonel"
De kolonel (overste) had drie goud- of zilverkleurige sterren in een driehoekspatroon, waarachter een zilver- of goudkleurige balk.

Op de overjas en mantel drie twee geborduurde zilver- of goudkleurige sterren waarboven een zilver- of goudkleurige streep






Opperofficieren

"Generaal-majoor"
De generaal-majoor, de laagste generaalsrang, had vier sterren waarvan de twee voorste van goud, de achterste twee van zilver. Bovendien een boven- en voorkant van de kraag een geborduurde geschulpte rand.

Op de overkleding vier geborduurde sterren waarboven een dubbele bies van gouddraad met geschulpte rand en bovendien op elke ondermouw en schouderbedekking twee zilveren sterren.






"Luitenant-generaal"
De luitenant-generaal had vier zilveren sterren van zilver. Bovendien een boven- en voorkant van de kraag een geborduurde geschulpte rand.

Op de overkleding vier geborduurde sterren waarboven een dubbele bies van gouddraad met geschulpte rand en bovendien op elke ondermouw en schouderbedekking drie zilveren sterren.






"Generaal"
De generaal (opperbevelhebber) had vier zilveren sterren van zilver met daarachter twee gekruiste maarschalkstaven, stokken van zilver en knoppen van goud met vijf gouden leeuwen erin geborduurd. Bovendien een boven- en voorkant van de kraag een geborduurde geschulpte rand.

Op de overkleding vier geborduurde sterren waarboven de gekruiste maarschalkstaven van gouddraad en bovendien op elke ondermouw en schouderbedekking vier zilveren sterren.

De rang van generaal werd alleen gevoerd in tijden dat een opperbevelhebber werd aangesteld, zoals tijdens de mobilisaties van 1914-1918 en 1939-1940.